| |
Een kind met McDD heeft een aangepaste omgeving nodig
die emotionele veiligheid en genoeg overzicht biedt.
De onvoorspelbaarheid van het kind moet met hulp van
buiten worden ingeperkt. Men moet dus duidelijk zijn
en het kind begrenzen indien nodig. Wanneer de emoties
de overhand halen moet het kind worden geholpen om zijn
gedachten te reorganiseren.
Het is zeer belangrijk dat ouders en leerkrachten begrip
tonen voor het moeilijke functioneren van het kind en
dat ze beseffen dat dit gedrag er niet is om hen het
leven zuur te maken. De kinderen lijden er zelf het
meest onder.
De activiteiten lopen volgens een vast programma en
moeten fase-gewijs opgebouwd worden. Eerst met twee
(volwassene - kind), waarna men het kind voorzichtig
via activiteiten leidt naar bezigheden die het alleen
doet, vervolgens naar activiteiten samen met een ander
kind onder toezicht van een volwassene en dan naar activiteiten
samen met andere kinderen.
Er zullen altijd omstandigheden zijn (feestjes, vakanties,
...) die een aanpassing van het programma vragen, wat
in de praktijk betekent dat men enkele stapjes terug
moet doen.
Belangrijk is dat er scholingsprogramma's op maat zijn
voor kinderen met een vorm van autisme. Het zou daarom
eigenlijk beter zijn dat kinderen al vroeg gediagnosticeerd
worden (ongeveer 4 jaar) zodat het scholingsprogramma
op hun individuele behoeften is afgestemd. Men zal hier
naar de optimale didactische invalshoek moeten zoeken
om het schoolse leren op gang te krijgen. Hierbij kan
cognitieve gedragstherapie zeer nuttig zijn.
Wat kan de school doen voor kinderen met McDD (en natuurlijk
autisme en andere aanverwante stoornissen):
- een voorspelbaar lesprogramma
- een directe, sturende onderwijsomgeving
(doe dit, doe het zo, etc.)
- veel structuur:
- structuur in tijd (dagindeling,
volgorde van taken en lesindeling, bezigheden,
aansturen van werktempo)
- structuur in ruimte (eigen
werkplek, prikkelarme omgeving, iedere activiteit
zijn eigen plek)
- structuur in 'regels' (roosters,
regels, looproutes, wijzigingen, beloning, straf)
- structuur in taken (omgang
met materiaal, stappenplan, werken naar zichtbaar
eindproduct)
- structuur in omgeving (houding,
duidelijk, voorspelbaar, consequent, neutraal)
Ook bijzonder belangrijk is dat men visualiseert wat
er gevraagd wordt. Gebruik altijd korte duidelijke en
conrete zinnen. Herhaal desnoods de boodschap op dezelfde
manier en geef ze de tijd en ruimte om de informatie
rustig te verwerken. Wijs daarbij naar het voorwerp
dat bedoeld wordt (zoals bijv. pictogrammen kunnen ter
ondersteuning gebruikt worden).
Men moet bij de kern van de taak blijven (geen varianten
of uitweiding). Verklein de taken, maak ze eenvoudig,
éénduidig en éénvormig. Bouw regelmatig ontspanningsmomenten
in en stel zowel het tempo als de doelen wat lager.
Omdat de kinderen sneller aan hun emotionele grenzen
zitten is het best ook om zoveel mogelijk prikkels te
verminderen en te accepteren dat deze kinderen anders,
sneller en extremer reageren dan kinderen die geen ontwikkelingsstoornis
hebben.
Een leerkracht heeft eigenlijk de volgende vaardigheden
nodig om te kunnen omgaan met een kind met een ontwikkelingsstoornis:
- individuele aanpak
- zorgen voor rust en voorspelbaarheid
- de specifieke gedragskenmerken
van het betreffende kind kunnen begrijpen
- visualisatie-methode kunnen toepassen
en het taalgebruik aanpassen
- structuur aanbrengen in tijd, ruimte
en activiteit
Ook de school zelf is verantwoordelijk en dient te zorgen
voor een veilig en voorspelbaar klimaat, zowel binnen
als buiten de klas. Maak afspraken met het kind, zodat
het weet wat er verwacht wordt en wijs een persoon aan
als vast aanspreekpunt. |
| © 2006 #McDD - realisatie:
E. Appermont |
|
|